Rasstandaard

Van alle hondenrassen die door de F.C.I. (overkoepelende organisatie in de West-Europese kynologie) zijn erkend, is een standaard opgesteld. De officieel erkende rasverenigingen van de aangesloten landen zorgen voor een vertaling. Zo’n standaard dient als leidraad voor fokkers en keurmeesters. Het is als het ware een ideaalbeeld waar de honden van het desbetreffende ras aan zouden moeten voldoen. Bij sommige rassen worden er al honden gefokt die praktisch aan het ideaal beantwoorden. Andere rassen hebben nog een lange weg te gaan. Van elk ras is ook een lijst met rasfouten samengesteld. Dit kunnen zware uitsluitingsfouten zijn, waardoor een hond van de fok wordt uitgesloten. De toegestane fouten zijn niet bijzonder zwaar, maar kosten wel punten bij een keuring.

 

Publicatie datum geldige standaard: 24 januari 2000
Land van oorsprong: Verenigde Staten
Gebruik: Sledehond
FCI indeling: N° 270
Groep 5: Spits- en primitieve typen
Sectie 1: Noordelijke sledehonden
Zonder werkproef

Algemeen voorkomen:

De Siberian Husky is een middelgrote werkhond, actief en lichtvoetig in de gangen, vrij en elegant in de beweging. Zijn matig compacte en goed behaarde lichaam, rechtop staande oren en rondom gelijk behaarde staart wijzen op zijn noordelijke afkomst. Zijn karakteristieke gangen zijn vloeiend en schijnbaar moeiteloos. Hij verricht zijn oorspronkelijke werk in het harnas (tuig) met grote bekwaamheid, waarbij hij een lichte last met matige snelheid over grote afstanden vervoert.

Zijn lichaamsverhoudingen en uiterlijk geven dit essentiële evenwicht van kracht, snelheid en uithoudingsvermogen weer. De reuen bij de Siberian Husky zijn mannelijk, maar nooit grof; de teven zijn vrouwelijk zonder zwakheid in uiterlijk te tonen. In goede conditie, met krachtige- en goed ontwikkelde spieren, draagt de Siberian Husky geen overtollig gewicht mee.

Belangrijke verhoudingen:
– Van de zijkant bekeken is de lengte van het lichaam gemeten van de boeg (gewricht tussen schouderblad en opperarm) tot de zitbeenknobbel iets langer dan de hoogte van het lichaam gemeten van de grond tot de schoft (bovenkant schoudertoppen op de rug).
– Lengte van de voorsnuit, van neuspunt tot stop, is gelijk aan de afstand van de stop tot de achterhoofdsknobbel (occiput).

Gedrag / temperament:
Het karakteristieke temperament van de Siberian Husky is vriendelijk en zacht, maar ook alert en op de omgeving gericht. Hij heeft niet de bezitbeschermende eigenschappen van de waakhond, noch is hij overmatig wantrouwend tegenover vreemden of agressief naar andere honden. Een zekere mate van terughoudendheid en waardigheid mag verwacht worden bij een volwassen hond. Zijn intelligentie, hanteerbaarheid en gewilligheid maken hem tot een aangename kameraad en een bereidwillige werker.

Hoofd:
Craniale (schedeldoos) deel:
Schedel: van gemiddelde grootte en in verhouding tot het lichaam: aan de bovenkant licht gewelfd en toelopend van het breedste punt naar de ogen.
Stop: goed aangeduid

Faciale (aangezicht) deel:
Neus: zwart in grijze-, rode- of zwarte honden, lever (bruin) in koperkleurige honden, en kan ongepigmenteerd zijn in zuiver witte honden. De roze gestreepte “snow nose” is aanvaardbaar.
Voorsnuit: van middelmatige lengte en breedte, langzaam toelopend naar de neus, zonder dat het eind spits of vierkant wordt. De neusrug is recht van de stop tot het einde (de neus).
Lippen: goed gepigmenteerd en nauw sluitend.
Kaken / tanden; sluitend schaargebit.
Ogen: amandelvormig, matig breed uit elkaar en een iets schuin geplaatst. De ogen mogen bruin of blauw van kleur zijn, 1 bruin en 1 blauw oog of meerkleurige ogen zijn aanvaardbaar.
Uitdrukking: attent, maar vriendelijk, geïnteresseerd en zelfs ondeugend.
Oren: middelmatig groot, driehoekig van vorm, hoog op het hoofd en dicht bij elkaar geplaatst. Ze zijn dik, goed behaard, enigszins gewelfd aan de achterkant en stevig recht op, met licht afgeronde, recht opstaande toppen.
Nek: middelmatig van lengte, gebogen en trots rechtop gedragen als de hond staat. Wanneer de hond in draf gaat, wordt de nek gestrekt, zodat het hoofd enigszins naar voren wordt gedragen.

Lichaam:
Rug: recht en sterk, met een horizontale bovenbelijning van schouder tot croupe. Middelmatig lang, niet gedrongen noch zwak door overmatige lengte.
Lendenen: droog en met spanning, smaller dan de ribbenkast en van onderen licht opgetrokken.
Croupe: onder een hoek schuin aflopend t.o.v. de wervelkolom, maar nooit zo steil, dat de achterwaarts gerichte stuwkracht van de achterbenen beperkt wordt.
Borst: diep en krachtig, maar niet te breed, met het diepste punt direct achter- en op de hoogte van de ellebogen. De ribwelving aan de basis van de ribben is wijd, maar vlakt af naar de zijkanten om de voorbenen bewegingsvrijheid te geven.
Staart: de goed behaarde, op een vossenstaart lijkende, staart is iets onder het niveau van de ruglijn aangezet en wordt gewoonlijk, wanneer de hond attent is, in een elegante sikkelvormige boog over de rug gedragen. Wanneer de staart in een boog gedragen wordt, valt hij niet langs het lichaam, noch klapt hij plat op de rug. Een ontspannen hond kan de staart lager dragen. Het haar op de staart is middelmatig lang en ongeveer even lang aan de bovenkant, de zijkanten en de onderkant, zodat de indruk van een ronde borstel ontstaat.

Ledematen:
Voorhand: in stand en gezien vanaf de voorkant staan de benen matig ver uit elkaar, zijn ze recht en parallel. Krachtig maar niet zwaar bot. Lengte van het been van de elleboog tot de grond is iets meer dan de afstand van de elleboog tot de bovenkant van de schoft (schoudertoppen). Duimpjes aan de voorbenen mogen slechts om medische redenen verwijderd worden.
Schouders en opperarm: het schouderblad ligt goed schuin is voldoende naar achteren geplaatst. De opperarm loopt licht schuin naar achteren van de boeg naar de elleboog, maar staat nooit loodrecht. De spieren en pezen die de schouder tegen de ribbenkast houden zijn sterk en goed ontwikkeld.
Ellebogen: dicht tegen het lichaam gedragen, noch in-, noch uitdraaiend.
Polsgewricht: sterk, maar buigzaam.
Polsen: van de zijkant gezien, zijn de polsen licht schuin.

Achterhand: in stand en van achteren gezien zijn de achterbenen matig uit elkaar en parallel geplaatst. Duimpjes (wolfsklauwtjes), indien aanwezig, moeten verwijderd worden.
Bovenste (1e) dij: goed gespierd en krachtig.
Knie: goed gebogen.
Hak (hiel gewricht): goed aanwezig en laag bij de grond geplaatst.

Voeten: ovaal, maar niet lang. De voeten zijn middelmatig groot, compact en goed behaard tussen de tenen en de voetzolen. De voetzolen zijn gehard, met dikke kussens. In stand staan de voeten noch naar binnen, noch naar buiten gedraaid.

Gangen en beweging: het karakteristieke gangwerk van de Siberian Husky is soepel en schijnbaar moeiteloos. Hij is snel en lichtvoetig en moet in de showring aan een losse lijn, in een matig snelle draf worden voorgebracht, waarbij hij een goed uitgrijpend gangwerk voor- en een goede stuwkracht vanuit de achterhand moet tonen. In stap toont de Siberian Husky geen éénsporigheid, maar wanneer de snelheid toeneemt, buigen de benen naar binnen onder het lichaam tot de afdrukken van de voetzolen op een centrale lijn recht onder het lichaam komen. Als de voetafdrukken op één lijn bij elkaar komen, bewegen de voor- en achterbenen recht naar voren, zonder in- of uitdraaiende ellebogen en/of knieën. Elke achtervoet wordt geplaatst in de afdruk van de voorvoet aan dezelfde kant van het lichaam. Als de hond draaft, blijft de bovenbelijning strak en horizontaal.

Vacht:
Haar: de vacht van de Siberian Husky is dubbel en middelmatig lang, de indruk gevend van goed behaard te zijn, maar echter nooit zo lang dat het de scherpe belijning van de hond verdoezelt. De ondervacht is zacht en dicht en van voldoende lengte om de bovenvacht te steunen. De dekharen van de bovenvacht zijn recht en liggen enigszins vlak, zijn nooit hard, noch recht van het lichaam afstaand. Ontbreken van de ondervacht gedurende de verharing is normaal. Afknippen van snorharen en haar tussen de tenen en rond de voeten om een netter uiterlijk te verkrijgen is toegestaan. Bijwerken van de vacht op iedere andere plaats van het lichaam is niet toegestaan en dient streng afgestraft te worden.

Kleur: alle kleuren van zwart tot zuiver wit zijn toegestaan. Uiteenlopende aftekeningen op het hoofd zijn gebruikelijk, met inbegrip van vele opvallende aftekeningen, die bij andere rassen niet voorkomen.

Maat en gewicht:
Schouderhoogte:
Reuen 53,5 tot 60 cm (21 tot 23,5 inches)
Teven 50,5 tot 56 cm (20 tot 22 inches)

Gewicht:
Reuen 20,5 tot 28 kg (45 tot 60 pounds)
Teven 15,5 tot 23 kg (35 tot 50 pounds)

Het gewicht is in verhouding tot de hoogte. De bovenstaande maten geven de uitersten van de hoogte- en gewichtslimieten aan, waarbij geen voorkeur wordt gegeven aan een van beide uitersten. Iedere schijn van overdrijving in bot en/of gewicht moet afgestraft worden.

Samenvatting:
De belangrijkste raskenmerken voor de Siberian Husky zijn middelmatige grootte, matig bot, harmonisch in verhoudingen, makkelijke en vrije beweging, juiste vacht, aangenaam hoofd en oren, juiste staart en een goed karakter. Iedere uiting van overmatig bot of gewicht, gebonden of onregelmatige gangen, of een lange, ruige vacht moet afgestraft worden. De Siberian Husky mag nooit zo zwaar of grof zijn dat de indruk van een vrachtentrekkend dier wordt gewekt, noch zo licht en tenger zijn dat de indruk van een sprinter wordt gewekt. Voor beide geslachten geldt dat de Siberian Husky de indruk van een groot uithoudingsvermogen te hebben moet wekken. Naast de eerder vermelde fouten zijn alle gebruikelijke fouten, die in andere rassen ook fout zijn, bij de Siberian Husky net zo ongewenst als bij die andere rassen, hoewel ze niet specifiek in de standaard aangehaald worden.

Fouten:
Iedere afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de ernst waarmee de fout wordt beoordeeld, moet in gepaste verhouding staan tot de ernst van de fout en zijn invloed op de gezondheid en het welzijn van de hond.

  • Schedel: hoofd te grof of te zwaar; hoofd te fijn besneden.
  • Stop: onvoldoende.
  • Voorsnuit: noch te spits of te grof; noch te kort of te lang.
  • Kaken/tanden: iedere andere beet anders dan schaargebit.
  • Ogen: te schuin geplaatst, te dicht bij elkaar geplaatst.
  • Oren: te groot in verhouding tot het hoofd, te wijd uiteen geplaatst, niet stevig rechtop.
  • Nek: te kort en dik; te lang.
  • Rug: zwakke of slappe rug; karperrug, aflopende toplijn.
  • Borst: te breed, “tonvormige” ribben, ribben te vlak of te zwak.
  • Staart: een omgeklapte of sterk gekrulde staart; overdreven pluimstaart; staart te laag of te hoog aangezet.
  • Schouders: steile schouders; losse schouders.
  • Voorhand: zwakke polsen; te zwaar bot; te smal of te wijd in het front; uitdraaiende ellebogen.
  • Achterhand: steile knie, koehakkigheid; te smal of te wijd van achteren.
  • Voeten: zwakke of gespreide tenen: poten te groot en te grof; poten te klein en fijn: voeten naar binnen of buiten draaiend.
  • Gangen/beweging: korte, springende, of harkerige gangen; slungelige of rollende gangen; kruisende of scheve gangen.
  • Haar: lange, ruwe, of ruige vacht; structuur te stug of te zijdeachtig; getrimde vacht, behalve als toegestaan zoals boven in deze rasstandaard.

UITSLUITENDE FOUTEN:

  • Agressiviteit of overmatige schuwheid.
  • Reuen boven de 60 cm (23,5 inches) en teven boven de 56 cm (22 inches).

Elke hond die duidelijke lichamelijke- of gedragafwijkingen vertoont moet uitgesloten worden.
NB.: Mannelijke dieren moeten twee ogenschijnlijk normale testikels, volledig afgedaald in de balzak, hebben.


Vertaald uit het Engels door Evert Verschoor, augustus 2010.

Onderdelen van de rasstandaard